De laatste jaren worden mensen steeds vaker geconfronteerd met audiovisuele opnamen waarvan het niet wenselijk wordt geacht dat deze op televisie of op internet openbaar worden gemaakt. Als kan worden volgehouden dat door het uitzenden van de opnamen de privacy van de betrokken personen of andere zwaarwegende belangen wordt geschonden, kan een poging worden gedaan om middels een kort geding een verbod te bewerkstelligen.

Als aan het publiek bekend wordt gemaakt dat de afgelopen jaren een school waarop pestende kinderen zitten wel met succes een beroep heeft kunnen doen op het privacy belang van pestende kinderen en met succes uitzending van opnamen heeft weten te verbieden, maar dat nabestaanden van slachtoffers van de ‘moordbroers’ dat niet is gelukt, dan roept dat natuurlijk vraagtekens op.

Het is echter zo dat een uitzendverbod op televisie of internet een zeer vergaande maatregel is. De rechter zal telkens aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval moeten beoordelen of dergelijke vergaande maatregel gerechtvaardigd is. Daarbij zal er door de (Voorzieningen-) rechter telkens een belangenafweging worden gemaakt en beoordelen of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de opgenomen personen of andere belangen wel of niet zwaarder wegen dan het recht van vrijheid van meningsuiting/persvrijheid van de programmamaker of andere openbaarmaker.

Uitzendverbod van de opnamen van pestende kinderen

In de voorgenomen uitzending van Project P[1] kwamen tieners in beeld die stelselmatig werden gepest door andere tieners. De slachtoffers kregen een rugzak op met daarin een verborgen camera, die filmde wat de tieners dagelijks meemaakten. De school waar de betreffende leerlingen op zaten, heeft vervolgens een kort geding aangespannen om onder meer de uitzending van de beeld- en/of geluidsopnames gemaakt met de verborgen camera te verbieden. Het uitzenden van de beelden zou onrechtmatig inbreuk maken op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de pestende leerlingen en de docenten, alsmede op het portretrecht van de leerlingen en docenten.

De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou onder meer bestaan vanwege het feit dat het zeer jonge kinderen betrof en de school voor zowel kinderen als docenten een veilige omgeving moet zijn. Daarnaast zou identiteit van de klasgenoten en de docenten, ook bij de geblurde beelden, gemakkelijk te herleiden zijn. Kortom het gestelde belang dat de makers van project P met de uitzending wilden dienen – namelijk het aan de kaak stellen van de pesterijen – rechtvaardigde volgens de school niet het uitzenden van de beelden.

De voorzieningenrechter oordeelde in dit geval dat door uitzending van de beelden een zodanige inbreuk zou worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de klasgenoten en de docenten van de school, dat de uitzending van de beelden als onrechtmatig kon worden aangemerkt. De rechter heeft de voorgenomen uitzending verboden en daarbij expliciet overwogen dat een school een niet-openbare ruimte betreft waar leerlingen en docenten veilig moeten kunnen bewegen zonder erop bedacht te hoeven zijn dat er middels verborgen camera’s beelden worden gemaakt.

Geen uitzendverbod van documentaire over “De Moordbroers”[2]

In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie ondanks het bezwaar van de nabestaanden, toestemming verleend voor het maken van opnames voor een documentaire over de “moordbroers” en daartoe een mediacontract met de makers van de documentaire afgesloten. Het OM heeft haar medewerking in een later stadium ingetrokken en middels een kort geding een verbod op de uitzending van de documentaire gevorderd. Daarbij speelde op de achtergrond dat de nabestaanden een kort geding jegens het OM aanhangig hadden gemaakt waarna het OM en de nabestaanden een minnelijke regeling hadden getroffen onder meer inhoudende dat het OM zijn medewerking aan de documentaire zou staken. De Voorzieningenrechter heeft in deze zaak geoordeeld dat het belang van de nabestaanden onvoldoende zwaarwegend was om de voorgenomen televisie uitzending te verbieden. De rechter overwoog daarbij dat het OM aanvankelijk ondanks de bezwaren van de nabestaanden toch was overgegaan tot het afsluiten van het mediacontract en dat de daaruit voortvloeiende opnamen openbaar mochten worden gemaakt.

De beoordeling van de rechtmatigheid van getoonde opnamen op internet

De door mij hiervoor besproken vonnissen hebben betrekking gehad op een gevorderd verbod op het uitzenden van televisieopnamen. De uitkomsten in deze zaak zijn voor het grotere publiek in één oogopslag wellicht wat verrassend geweest, maar in het licht van de geschetste feiten en omstandigheden valt dat eigenlijk wel mee.

Gelet op het gegeven dat in het hedendaagse leven steeds meer audiovisuele opnamen worden gemaakt en op internet worden geplaatst, verwachten wij dat we de komende jaren veel meer uitspraken zullen krijgen over een gevorderd verbod tot het openbaar maken van opnamen op internet. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan zal telkens – net als bij de beoordeling van de rechtmatigheid van televisieopnamen – een belangafweging plaatsvinden tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (en andere belangen) enerzijds en die van de vrijheid van meningsuiting van de openbaarmaker anderzijds. Dat niet gewoonweg aan de hand van de perceptie ten aanzien van de opgenomen  personen tot onrechtmatigheid geconcludeerd kan worden, hebben de vonnissen inzake de pestende kinderen en de slachtoffers van moordbroers reeds aangetoond.

 

 


[1] Voorzieningenrechter Rechtbank Lelystad – 16 mei 2014; ECLI:NLRBMNE: 20141940

[2] Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 22 november 2016

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.